Zuid-Spanje
is, net als de rest van de van Spanje, bijzonder bergachtig.
Het grootste deel van het land wordt ingenomen door de Betische
Cordillera, wat een voortzetting is van het Atlasgebergte en het
Rifgebergte in Noord-Afrika. De Siërra Nevada, met de hoogste top
van het Spaanse vasteland, de 3481 m hoge Mulhacén, is een onderdeel
van dit gebergte, en beheerst het zuidelijke middengedeelte van
Andalusië.
In het oosten,
bij Murcia en Alicante, worden de bergketens afgewisseld door vruchtbare
valleien. In het droge en subtropishe zuidoosten, zoals rondom de
Cabo De Gata heeft zich een heel gebied van woestijnen en steppen
gevormd. De rivierbeddingen zijn hier vrijwel permanent droog, waardoor
het landschap hetzelfde aspect heeft gekregen als de noordelijke
bergketens van Cazorla ontspringt de Guadalquivir, de belangrijkste
rivier van Andalusië. Gevoed door vele zijrivieren vormt zij een
reeks zeer lange, vruchtbare dalen die naar het westen toe steeds
breder worden, tot de grote diluviale vlakte ontstaat die het hele
zuidwesten omvat en zich tot bij Portugal voortzet.
Meer naar het
noorden ligt het lagere, oudere gebergte van de Siërra Morena. De
smalle strook langs de zuidkust, tegen de noordenwinden beschermd
door de hoge bergen, heeft een bijna tropisch klimaat, zodat er
bepaalde tropische gewassen als suikerriet, bananen, avocado's en
chirimoyas kunnen groeien. De gemiddelde jaartemperatuur ligt hier
hoger dan aan de noordkust van Afrika, waar 's winters de noordelijke
nwinden vrij spel hebben.